donderdag 2 augustus 2018

Waarom het Matrix/Marduk dracokoning systeem niet werkt

                          Beste Lezers van Ranny' s blog


02-08-2018


Hierbij deel ik Ranny U mee dat het Matrix systeem die is bedacht door Marduk dracokoning dit systeem heeft bedacht vanwege het feit dat de mensheid gedepopuliriseerd moest worden en men van uit het oude Griekenland gewend was aan slavernij.


Leest U hier het hele verhaal en laten wij met z' n allen in opstand komen tegen de plannen van de Nieuwe Wereld Orde om mensen hun volledige vrijheid te blokkeren zodat agenda 21 vernietigt moet worden.


Oude Geschiedenis samenvatting Een kennismaking met de Oude Wereld – L. de Blois & R.J. van der Spek Het Oude Nabije Oosten 1. Het ontstaan van de beschavingen in Egypte en Mesopotamië Oude/Middensteentijd: jagen en verzamelen (nomaden) Einde middensteentijd (ca. 10.000 v. Chr.): verbeteringen werktuigen zorgde voor sedentair bestaan. Begin nieuwe steentijd (Neolithicum); ontstaan landbouw (Neolithische revolutie) Landbouw: regenlandbouw (>250 mm; Iran, Noord-Irak, Noord-Syrië, kustgebied Mid. Zee) of irrigatielandbouw (natuurlijke: Egypte (overstromen Nijl juli/sep), kunstmatige: zuidelijk Mesopotamië (feb/april)). Irrigatielandbouw is effectiever dan regenlandbouw. 3000 v. Chr.: Opkomst culturen door toenemende verstedelijking, staatsvorming (specialisatie beroepen) en de uitvinding van het schrift (ca. 3400 v. Chr.) Vierde millennium v. Chr.: ontstaan grootste en invloedrijkste steden (aan oevers grote rivieren); hoogste voedselproductie. Mesopotamische stad: tempel als centrum (groot grondbezitters; landbouw, veeteelt, ambacht)(tempeleconomie). Ca. 3400-3200: ontstaan spijkerschrift (in Egypte: hiërogliefenschrift). Grens sedentair en nomadisch bestaan niet zo scherp (uitputten bodem of transhumance veeteelt). Groepen hadden elkaars producten nodig. Verschillen: Landbouw Egypte gunstiger dan Mesopotamië (overschromen Nijl voor zaaitijd/Eufraat en Tigris erna; Egyptenaren hadden vruchtbaar slib + water betere kwaliteit). Ander verschil: Egypte moeilijk bereikbaar; politiek stabiel zonder inmenging van anderen. Mesopotamië had onstabiele politiek en veel inmenging (toch ook continuïteit; culturele tradities bleven steeds bestaan) 2. Het derde millennium De vroege Bronstijd  Egypte: Het Oude Rijk (2600-2150 v. Chr.) Onderscheid Beneden-Egypte (Nijldelta) en Boven-Egypte (zuiden van Nijl). Farao droeg dubbele kroon. Beroemd geworden door de bouw van de piramiden. Koningschap werd als goddelijke instelling beschouwd. Kwam ten val doordat de gouwvorsten (provinciehoofden) te machtig werden ten koste van de farao en doordat overstromingen Nijl afnam (hongersnood).  Mesopotamië: Sumer en Akkad Sumeriërs belangrijk; hebben steden in Mesopotamië groot gemaakt. Hiernaast belangrijk voor het verspreiding schrift voor tempel- en paleisadministratie, godsdienstige en literaire teksten. Ook belangrijk voor vormgeven beeldhouwkunst, bouwkunst, literaire stijlen, opvattingen koningschap, recht en maatschappij, wetenschap. Men leefde in stadsstaten; er ontstond een tweedeling tussen koningschap en de tempel (priesterschap). Akkadiërs (van stad Akkad; centrum van een wereldrijk; stichter Koning Sargon de Grote). Veel van Sumerische beschaving overgenomen, maar behielden eigen goden en eigen taal. Rijk Akkad viel uiteen door lokale opstanden en vreemde invallers uit het oosten. Er volgde een wederopbloei van Sumerische steden (Sumerische Renaissance 2100-2000 v. Chr.) onder de koningen van Ur (Derde dynastie van Ur)(paleiseconomie). Ging ten gronde door infiltratie van vreemdelingen (Amorieten uit het westen)(klimaatverandering?). Plaatselijke gouverneurs van Ur stichten eigen dynastieën. Sumero-Akkadische cultuur bleef voortbestaan tot in de hellenistische tijd. 3. Het tweede millennium De Midden Bronstijd  Egypte: het Middenrijk (2000-1800 v. Chr.) en de Tweede Tussenperiode (1800-1550 v. Chr.) Eenheid Egypte hersteld door gouwvorst uit Thebe (11e dynastie). Belangrijkste was de 12e dynastie: bracht de Fajjûm-oase in cultuur en brachten regeringscentrum hier. Middenrijk 1 was een bloeiperiode voor Egyptische cultuur/literatuur (hiërogliefen werden klassiek). Ca. 1800 brokkende het gezag af en eindigde het Middenrijk (veroveringstochten hielden op/minder gebouwd); begin van Tweede Tussenperiode (1800-1550 v. Chr.) Hyksos (uit de Levant) vestigde zich in de Nijldelta, namen de macht over en stichten eigen dynastieën.  Mesopotamië: de Oudassyrische en Oudbabylonische tijd Begin tweede millennium: Assyrië en Babylonië. De Amorieten, die hiervoor de macht hadden, verdwenen langzaam (cultuur werd niet overgenomen, taal bleef Sumerisch en Akkadisch, spijkerschrift bleef).  Noord-Mesopotamië: het Oudassyrische rijk (2000-1750 v. Chr.) Rond 2000 bloeiperiode door opkomende handel in de stad Assur. Na 1800 machtsgreep van de Amoriet Samsi-Adad I; koningschap kreeg een meer absoluut karakter.  Zuid-Mesopotamië: het Oudbabylonische rijk (1800-1600 v. Chr.) Babylon werd in 18e eeuw nieuwe politieke grootmacht. Basis werd gelegd door Hammurábi (bekend door zijn wetboek; standaardlectuur van Babylonische scholen; grote invloed). Rijk brokkelde af onder Hammurábi’s opvolgers en na 1600 ingenomen door een koning van het Oudhethitische rijk (oostelijk Klein-Azië). Later opnieuw overheerst door invallers uit het Iraanse bergland (de Kassieten). Plaatselijke tradities bleven echter bestaan. De Late Bronstijd (1600-1200 v. Chr.)  Het ‘concert der mogendheden Tijd waarin grote mogendheden, namelijk Egypte (Nieuwe Rijk), Mitanni, het Hethitische rijk, Assyriër en Babylonië, elkaar in evenwicht hielden. Macht van deze staten berustte zich op de uitvinding van de strijdwagen (ca. 1600) omdat strijders zich hierdoor makkelijk snel konden voortbewegen. Ze waren toegewezen aan de aristocratische elite van een land.  Egypte: het Nieuwe Rijk (1550-1100 v. Chr.) Dynastie van Thebaanse gouwvorsten herstelde de Egyptische eenheid (einde van de vijftiende Hyksos-dynastie. 18e dynastie meest beroemde van de Egyptische geschiedenis. Koningen werden ‘farao’ (= groot huis = paleis) genoemd en zij stichtten een imperium (tot de Eufraat in Syrië en diep tot in Nubië). Egyptische cultuur kreeg op veel plekken vaste voet (tempels, godsdienst, kunst en schrift). In Syrië en Palestina minder direct (bestuurders mochten op eigen troon blijven zitten; Egyptische controleur/troepen toelaten). Er bestond al handen tussen Egypte en grote steden in deze landen. Farao Achnaton probeerde het polytheïsme om te vormen naar henotheïsme (slechts één god vereren, bestaan van andere goden erkennen); iedereen moest de Zonnegod Aton vereren. Onder zijn bestuur werd de kunst vrijer en gingen stadstaten meer hun eigen gang (werden wel lastig gevallen door (half)nomadische stammen). Na zijn dood kwam farao Tut-anch-amon aan de macht en hij maakte Memphis tot hoofdstad. De 18e dynastie eindigde doordat drie generaals succesvol de koningstroon wisten te verkrijgen. Egypte herstelde zich nog één keer, onder o.a. Ramses II. Hij was een groot bouwer.  Babylonië en Assyrië Oudbabylonische rijk (ca. 1600) kwam ten val door indringers uit het oosten (Kassieten). Voor ruim vier eeuwen behielden zij de macht en pasten zij zich aan, aan de Babylonische cultuur. Continuïteit bleef bestaan. Na de ondergang van Mitánni werd Assyrië zelfstandig en beheerste het samen met Babylonië het gebied Mesopotamië (tot ca. 800 v. Chr.)  Mitánni Inwoners waren Choerrieten. Zij breidden zich in de loop der tijd uit naar Klein-Azië en SyriëPalestina. Het Choerritisch was de taal en ze gebruikte het spijkerschrift. Ook waren er IndoIraanse elementen in Mitánni aanwezig.  Het Hethitische rijk Begin tweede millennium gingen in Klein-Azië Hethieten wonen. In dit volk zien we veel Indoeuropese elementen terug. Ze breidden hun rijk uit naar Syrië en (1600) Babylon. Dit ging later weer verloren. Ca. 1350 kwam koning Suppiluliúmas aan de macht. Hij onderwiep grote steden van Syrië en Klein-Azië en veroverde Mitanni, hier kwamen vazalvorsten of cliëntkoningen aan de macht. Het rijk heeft onder sterke invloed gestaan van de Mesopotamische cultuur (spijkerschrift, goden, literatuur). 2  Kreta en Mycéne Rond deze tijd ook bloeitijd Kreta (Minoïsche) en Mycéne (Helladische/Griekenland). Belangrijkste stad Kreta was Knossos (geen muren, vredelievend, minder krijgsdaden, paleiseconomie, schrift: lineair A, bloeiende handel). Griekenland had vanaf ca. 2700 v. Chr, een vergelijkbare beschaving als Kreta. Mensen die Grieks spraken kwamen pas in 2000 v. Chr. in Griekenland (schrift; lineair B). Na 1600 begon een bloeiperiode en werd de beschaving militaristischer. Tussen 1400 en 1300 ontstonden er paleisforten (koningen met elite van wagenstrijders). Veel wederzijdse oorlogen tussen steden. In 1450 werd Kreta veroverd door Mycéne, Knossos bleef gespaard. De Grieken voerden lineair B in op Kreta.  Internationale betrekkingen Veel bronnen over deze periode dankzij archief gevonden te Achet-Aton (= El-Amarna) in Egypte. Hier lagen veel brieven afkomstig van de koningen van Palestina en Syrië (in Babylonisch spijkerschrift). Tweede belangrijke bron zijn de Hethitische verdragen. Onderscheiden we in ongelijkheid (tussen Hethitische koning en zijn vazalvorsten) en gelijkheid (verdragen tussen koningen grote mogendheden). De derde bron zijn annalen die koningen over hun dappere daden hebben laten aanbrengen. Vriendschappelijke betrekkingen werden vaak onderhouden door uitwisseling van boden, brieven, geschenken en het sluiten van politieke huwelijken. 4. Het eerste millennium De Vroege IJzertijd (1200-750 v. Chr.)  Ontwrichting en herstel Het concert der grote mogendheden en hun satellietstaten kwam ten val (1200). Als oorzaak wordt het opdringen van rondtrekkende volken genoemd. (Assyrië en Babylonië verzwakt door Arameeën en Chaldeeën, zeevolken (Filistijnen) drongen Egypte binnen). Men denkt dat de reden van deze volkerenbeweging droogte en hongersnood was. Hiernaast begon rond 1200 de IJzertijd (ijzer geen luxeproduct meer).  Egypte: het Derde Tussenrijk (1100-715 v. Chr.) Egypte verloor zijn veroverde gebieden (Syrië-Palestina, Nubië) en kon de eenheid niet bewaren. Buitenlandse farao’s regeerden tussen 950 en 730 (Libiërs). Ca. 935 probeerde een Libische farao Palestina te veroveren, dit lukte maar het Egyptische gezag werd niet blijvend gevestigd in Jeruzalem. In de Late Tijd (715-332) werd Egypte overheerst door buitenlandse mogendheden. Eerst door het Nubische rijk van Napata (730) en later werd Egypte ingelijfd bij een aantal Voor-Aziatische wereldrijken (Assyrische (671-655) en Perzische (525-404 en 343-332)).  Syrië en de Feniciërs Door de verzwakking van grote mogendheden konden stadsstaten in Syrië weer zelfstandig worden. Deze rijkjes noemen we Neohethitische vorstendommen (in sommige regeerden Hethitische vorstenhuizen en in andere Aramese (Damascus; centrum Aramees rijk)). Havensteden ten westen van Libanongebergte (Byblos, Tyrus, Sidon)(aangeduid als Phoenicië/Fenicië/Kanaänieten) konden zich redelijk snel herstellen van de zeevolken; werden zelfstandige staten onder leiding van een koning en een raad van oudsten. Feniciërs belangrijk omdat: doorgeefluik oud-oosterse cultuur naar Europa d.m.v. overzeese handel / vanaf 10e eeuw kolonisatie (nederzettingen op Cyprus, in Noord-Afrika (Carthágo (9e/8e eeuw), Sicilië, Zuid-Spanje) / uitvinding alfabet (22 tekens; voor meer mensen toegankelijk; op papyrus dus minder bronnen teruggevonden).  Israël Door rijk gevarieerde literatuur weten we vrij veel over dit volk. Teksten vormen samen de boeken van de Hebreeuwse Bijbel (Oude Testament); bewaard gebleven omdat religie doorleefde. Teksten zijn echter vrij laat tot stand gekomen (tijdens Babylonische ballingschap, ca. 550 v. Chr.) en hebben een duidelijk doel: het aanbidden van JHWH (monotheïsme); hieruit werd een ballingschap verklaard. Stamvader Israëlieten was Abraham; zijn kleinzoon Jakob trok met gezin naar Egypte door hongersnood; moesten zware herendiensten uitvoeren. Uiteindelijk weet Mozes met het volk 3 uit Egypte te ontsnappen en Kanaän (Palestina) te bereiken. Onduidelijk hoe Israëlieten de macht in Kanaän heeft overgenomen, waarschijnlijk proces van geleidelijke infiltratie. Onrustige tijd; veel oorlog tegen andere stammen (Filistijnen grote vijand omdat zij reeds beschikten over ijzeren wapens). Uiteindelijk verenigden de stammen zich onder de koning Saul. Zijn zoon David veroverde Jeruzalem voor de Israëlieten en maakte die stad tot hoofdstad. Hij werd opgevolgd door Sálomo maar na zijn dood viel het rijk uiteen in twee delen. Zuid: Juda met als hoofdstad Jeruzalem (David dynastie), Zuid: Israël met als hoofdstad (9e eeuw) Samaría (veel verschillende dynastieën). Israël en Juda hebben beide geen grote politieke rol; in 8e eeuw beide vazalvorstendommen van Assyrië. De Voor-Aziatische wereldrijken (750 v. Chr. – 651 v. Chr.)  Het Nieuwassyrische rijk Assyrië had zich staande gehouden; koningschap gecontinueerd en door militaire vernieuwingen (inzetting cavalerie, verbetering belegeringswerktuigen) konden ze rooftochten ondernemen. Vanaf Tíglath-piléser III (745-727) konden ze grotere gebieden onder controle houden (begin Nieuwassyrische imperium). Rijk kreeg steeds meer omgevormde vazalstaten (provincies); zo ook Samaría (hoofdstad Israël) door Sargon II (725-705). Bevolking werd gedeporteerd (Assyrië had vaklui nodig; meeste deportaties uitgevoerd door Tiglath-pileser III); door vele vreemdelingen veranderde de taal langzaam naar het Aramees (ook het alfabet werd overgenomen. Babylonië verloor zelfstandigheid in 729 v. Chr. Tiglath-pileser liet zich als Babylonische koning kronen en nam deel aan de cultuur/rituelen (hij had veel respect hiervoor doordat Assyriërs al lang met Babyloniërs verbonden waren). Assurbánipal (669-631) zocht oude teksten en nam ze mee naar Ninevé (Gílgames-epos). Egypte (vazalvorst van Assyrië) werd door Psammétichus I (664-610) weer vrijgemaakt (655); begin Saïtische dynastie. Koningen probeerden cultuur nieuw leven in te blazen a.d.h.v. het Oude Rijk (dus; Saïtische Renaissance). Grieken kregen in deze tijd meer contact met de Egyptenaren. Assyrië ging ten onder toen drie Assyrische pretendenten treden om de troon, tijdens een opstand van de Zuid-Babylonische gouverneur Nabopolassar terwijl er ook dreiging was van de Meden uit het oosten. Er ontstonden twee nieuwe rijken: het Medische ten oosten van de Tigris (Ecbátana als hoofdstad) en het Nieuwbabylonische (Babylon).  Het Nieuwbabylonische rijk Vaak het ‘Chaldese’ genoemd (stichter van de dynastie, Nabopolassar, kwam uit het zuiden waar veel Chaldeeën woonden; zij waren sterk gebabyloniseerd). Spreektaal en schrijftaal was het Aramees. Échte grondvester van het rijk was Nebukadnéssar II (605-562); hij maakte van Babylon een metropool en veroverde Syrië, Palestina en Juda (werd een vazalstaat; kwam in opstand; de Babylonische ballingschap der Joden (586); behielden identiteit door aan religie vast te houden). Laatste koning (Nabonidus) was aanhanger van maangod Sin van haran en verwaarloosde Marduk (oppergod van Babylon). Zorgde voor ontevredenheid en de stad werd in 539 een gemakkelijke prooi voor Perzië.  Het Perzische of Achaemenidische rijk Kwam voort uit het Medische (spraken Iraans, geen goed georganiseerd imperium). Ca. 550 nam de Pers Cyrus de heerschappij in het Medische rijk over. Hij veroverde Klein-Azië (o.a. Lydië) en veroverde Babylonië (d.m.v. propaganda). Hij gaf toestemming aan de Joden om terug te keren naar Juda, veel bleven er echter in Babylonië wonen. Hij was een echt oudoriëntaalse koning (hard en zacht, naar het hem uitkwam). Opvolger van Cyrus was zijn zoon Cambyses (voegde Egypte aan het rijk toe). Darius I (522-486) was de grootste organisator van het rijk. Verdeelde het in satrapieën (superprovincies). Deze moesten belasting betalen en werden bestuurd door en gouverneur (satraap). Bevelhebber was verantwoording schuldig aan de koning. Onder zijn opvolger Xérxes brak er een opstand uit in Babylonië. Je ziet in het Perzische rijk veel terug van Mesopotamische tradities, zo ook Griekse. Ca. 330 kwam Macedonië (Alexander de Grote).  De Hellenistische rijken 4 Na de dood van Alexander viel zijn rijk uiteen in kleinere rijken overheerst door dynastieën. Deze leken veel op de voorafgaande rijken en de culturen van Voor-Azië en Egypte onder Grieks-Macedonische overheersing leefden door.  Het Parthische of Arsacidische rijk Ging ten gronde nadat hellenistische rijken ten val waren gekomen. Werd overgenomen door het Iraanse volk der Parthen. Hadden veel te maken met economische problemen; Babylonische tradities bleven in stand. Parthische rijk hield stand tot 226 na Chr.  Het Nieuw Perzische of Sassanidische rijk Vanaf 226 tot ca. 636 na Chr. kwam Mesopotamië in handen van het Nieuw Perzische rijk. De Zoroastrische godsdienst werd openlijk bevoordeeld ten nadele van anderen.  Het Romeinse Rijk In 64-63 v. Chr. werd Syrië bij het Romeinse Rijk ingelijfd. In 30 v. Chr. onderging Egypte (Ptolemeïsche rijk) hetzelfde lot. Egyptische beschaving hield echter nog eeuwen aan.  De Arabieren In de 7e eeuw veroverde Arabieren (o.l.v. Mohammed) vrijwel geheel Voor-Azië en NoordAfrika. Ze reduceerden het Oost-Romeinse Rijk tot een kleine territoriale staat en maakten een einde aan het Nieuw Perzische rijk (651). 5. Godsdienst Oude Nabije oosten; polytheïstisch (geloof in meerdere goden). Goden waren personificaties van kosmische verschijnsels. Het verklaren van natuurverschijnselen en het ontstaan van de wereld door mythen is kenmerkend. Het jaarlijks sterven en weer opbloeien van planten werd verklaard door het sterven van een godheid (Egypte: Osíris). Droge, hete periodes werden verklaard doordat een godheid een tijd in de onderwereld verbleef (Mesopotamië: Dumúzi). Elke stad had een eigen oppergod. (Níppur: Énlil, Babylon: Marduk, Assyrië: Assur, Egypte: Zonnegod Ra tijden het Oude Rijk, Amon tijdens Midden/Nieuwe Rijk). Polytheïstische godsdiensten zijn flexibel, goden zijn antropomorf (als mensen afgebeeld). In Egypte werden goden ook als een dier of een combinatie van mens en dier afgebeeld. Men brachten offers/voerden rituelen uit om de goden gunstig te stellen. Een koning was soms zelf een opperpriester en anders de eerst dienaar van de oppergod. Koningen in Voor-Azië werden vrijwel nooit als goddelijk beschouwd (alleen koning van Akkad, de derde dynastie van Ur en de Grieks-Macedonische Seleucidische dynastie). In Egypte gebeurde dit wel (incarnatie van hemelgod Horus en als de zoon van zonnegod Ra). Door middel van de sterrenhemel, de levers van dieren of de lucht der vogels te bestuderen was het mogelijk om de lotsbeschikkingen te leren kennen. Leven na de dood. Egypte: prettig, mits het lichaam in stand bleef (mummificatie). Mesopotamië: grauw, in sombere ruimte. Laat de Gilgames-epos goed zien. Gilgames-epos samengesteld door Sín-leqi-unnínni (Babylon). Over de koning van Uruk (ca. 2750 v. Chr.) die op zoek gaat naar het eeuwige leven. Die vindt hij uiteindelijk niet. Verhal lijkt soms sterk op het Bijbelboek Genesis. De epos is een bewerking van diverse Sumerische epen over Gilgames, die mondeling zijn overgeleverd. Ze bleven lang tot de lesstof behoren in de schrijversscholen. Henotheïsme: éen god centraal stellen en de andere goden waardeloos achter (niet aan bestaan andere goden twijfelen)(vroeg Israël, Assyrische en Egyptische teksten). (Egyptische farao Achaton; verhief zonnegoed Aton en trachtte Amon uit te roeien. Aton werd niet afgebeeld als mens/dier, maar als een zonneschijf met stralen die in zegenende handen eindigden. We weten niet zeker of hij van mening was dat andere goden bestonden. Hervorminge van Achnaton sloegen niet aan) Monotheïsme: er is slechts één god, die alles geschapen heeft en het geschapene is slechts stoffelijk (kwam zelden voor). (Israël: verering van JHWH, de God. Joden hielden zich aan deze traditie vast tijdens de ballingschap en daardoor is hun identiteit bewaard gebleven.) Profeet Zarathústra (Perzische godsdienst); geregeerd door twee principes, Goed en Kwaad. Goed: Perzische oppergod Ahura Mázda, Kwaad: geest Angra Mainyu / Ahriman. Beide werden bijgestaan door helpers (engelen of duivels). Leer werd door de Perzen niet gelijk 5 aanvaard. Het Zoroastrisme werd pas in het Nieuwperzische rijk invloedrijk; verloor terrein door opkomst Islam (7e eeuw). 6. Economie en maatschappij  Agrarische economie, grondbezit Basis van economie was agrarisch. Grondbezit was voornaamste vorm van rijkdom. De tempel en het paleis grootste grondbezitter Oude Nabije Oosten, er waren ook particulieren met grondbezit. Sumerië: tempel grootgrondbezitter + bestuurscentrum, later scheidde dit; koning met eigen paleis en eigen grondbezit. Tempel en paleis stonden nooit los van elkaar (koning was bouwer tempel + veel rituelen). In Egypte was er minder onderscheid, omdat tempel een staatsbedrijf was onder koninklijke leiding.  ‘Redistributie-economie’ (schema paleiseconomie blz. 59) Paleis- en tempelhuishoudens waren in het gehele Oude Nabije Oosten (ook Kreta en Mycene) de motoren van de economie. In Egypte was er sprake van een redistributieeconomie. Paleis inde belasting en gaf dat geld uit aan priesters en ambtenaren, loon voor bouwers, geschenken, leden van hofhouding, etc. Egyptische boer leefde van eigen land. Deze soort vinden we ook in Mesopotamië. In Sumerië was de tempel de voornaamste grondbezitter, werkers werden beloond met voedselrantsoenen. Later werd het paleis steeds belangrijker. Na de ineenstorting van Ur III kwam er meer plaats voor particulier grondbezit.  Betaalmiddelen Land en voedselrantsoenen speelde grote rol als beloning. Hoge ambtenaren, soldaten en wagenstrijders kregen uitgestrekte landerijen voor hun levensonderhoud. (dit systeem kennen we in Oudbabylonië, Assyrië, Perzië, het Seleucidische rijk en in faraonisch en Ptolemeïsch Egypte). Handel: vaste betaalmiddelen (graan, zilver, goud, tin en koper) en rekeneenheden (gewichtseenheden zilver en koper). Pas in Lydië (7e eeuw) en in het oosten (Daríus I) kwam de stap naar gemunt geld.  Handel Handel was noodzakelijk. Egypte en Mesopotamië misten grondstoffen als timmerhout, koper en tin. Er bestonden al lang handelscontacten over uitgestrekte gebieden. Het was wel riskant (gebrekkig/traag vervoer en gevaar roofovervallen); producten moesten daarom licht, niet bederfelijk en kostbaar zijn. Over land was het vervoer van grote hoeveelheden niet rendabel. De grootste vermogensbezitters/opdrachtgevers/geldschieters waren de tempel en het paleis. In de Oudbabylonische tijd beheerden handelaren en paleis gezamenlijk een kas. In Assyrië werd handel geregeld door verdragen tussen de overheid en de stadsvorsten van Kanes. Er bestonden al gebruiken die doen denken aan het moderne bankwezen.  Sociale stratificatie In het Oude Oosten was er sprake van een ‘gelaagde samenleving’. De koning stond aan top, onder hem was er een groep hogere en lagere functionarissen. Onder de gewone bevolking was er onderscheid naar rijkdom en arbeid. Er was een onderscheid tussen een vrije en een slaaf. Vrije hadden rechten en privileges. Slaven waren er in verschillende typen. Meest onvrij waren mensen die als koopwaar behandeld werden (krijgsgevangenen). Ook waren er mensen die door schuld vervallen waren in slavernij (schuldknechtschap of schuldgebondenheid)(in wetten van Hammurabi max. 3 jaar, in Israëlitische wetten max. 6 jaar) . Slavernij heeft in het Oude Oosten nooit zulk een grote rol gespeeld als in het klassieke Griekenland en Rome. Het werk van slaven kon variëren van dienst in het huishouden tot een soort horige boer of handwerksman. Er waren families die veel slaven in bezit hadden. Er bestond ook een vorm van klassenjustitie (wetboek van Hammurabi). (arbeidsverdeling schema; blz. 63) 7. Rijksbestuur  Koningschap Vrijwel over de normale bestuursvorm, anders waren volkeren barbaars. Koningschap was ooit uit de hemel op aarde neergedaald (Mesopotamische tradities). Functies koning waren legeraanvoerder, opperrechter en hogepriester. Ook sprak de koning recht (hijzelf of rechters in zijn naam). De wetten waren casuïstisch geformuleerd (straffen stonden vast bij misdrijf). 6 De macht van koningen was absoluut, soms moest de koning echter rekening houden met een raad van oudsten/vrije burgers (vroeg-dynastieke Sumerië, Assyrië, het oud Hethitische rijk en sommige Fenicische steden).  Het bestuursapparaat Koning werd bijgestaan door ambtenaren (beloning was land; werd soms erfelijk eigendom waardoor ambtenaren teveel macht kregen; Assyrische koningen gebruiken eunuchen als oplossing). In een imperium onderscheiden we kernland en de periferie (door kernland onderworpen gebied). De periferie werd een vazalvorstendom (koning mag op de troon blijven zitten; moet loyaal zijn, geen eigen buitenlands beleid voeren en belasting betalen) of een provincie. Als een vazalvorstendom niet loyaal was werd het gebied omgevormd tot een provincie. Dit proces kwam veel voor onder koning Tiglath-piléser III (Assyrië; 745-727) en zette door in Nieuwbabylonische, Perzische en hellenistische rijken. Veel provincies hadden gestationeerde en rondreizende inspecteurs. Grens tussen kernland en periferie kon vervagen door cultuurvermenging (bv. in Romeinse Rijk). Werd bevorderd door deportaties op grote schaal. Soms konden groepen hun identiteit bewaren (Joden). Reden tot expansie was het binnenhalen van rijkdommen door plunderingen en het opleggen van belastingen (er bestond soms een vorm van belastingvrijdom bij Assyrische koningen als hij steden in een religieus opzicht belangrijk vond).  Leger Ontwikkeling oorlog van kleine conflicten om grondgebied/rooftochten tot georganiseerde expedities om land te bezetten. Oorlog was in het begin vooral een seizoen aangelegenheid (na de oogst) waar boeren aan meededen. Later werd het leger een instituut (dankzij speciale toewijzing land aan soldaten en het onderhoud van een elite van wagenstrijders). Sinds de Perzische tijd werden huurlegers steeds meer gebruikt. Militaire vernieuwingen (bv. strijdwagen) verspreidden zich snel. De Griekse wereld 8. De vroege ijzertijd (1200-750 v. Chr.) ‘De Donkere Eeuwen’ Na instorting Myceense beschaving (1200); paleiseconomie en Lineair B verdween. Paleizen werden verwoest en de Ionische volksverhuizing kwam op gang (naar westkust Klein-Azië). Teruggang in de bevolking en sterke verarming van de materiële cultuur. In deze tijd valt ook de invasie van de Doriërs (vestigde zich in de Peloponnésus, Kreta, zuidwesten Klein-Azië). Weinig informatie over maatschappijopbouw; we weten veel uit dichtwerken zoals Ilias (over strijd van Griekse koningen tegen de stad Tróje of Ilion) en Odyssee (over de terugkeer van koning Odysseus, na de inname van Troje) van Homérus. Hij beschrijft gebeurtenissen in een andere tijd, met de omstandigheden van zijn eigen tijd (koning was grote herenboer die in oorlogstijd die primus inter pares (de eerste onder zijns gelijken) was; ze hadden grote agrarische huishoudens en bezaten de militaire macht; man-tegen-mangevechten). Waardenpatroon belangrijk voor elite; edelen moesten er sterk, gezond en mooi uitzien. Hieruit ontstond competitie-element; Olympische spelen (vanaf 776 v. Chr). Tussen 1100-900 weinig schriftelijke gegevens; de ‘donkere eeuwen’. 9. De archaïsche periode 8e eeuw = ontstaan nieuwe Griekse cultuur met eigen karakter. De archaïsche tijd valt samen met de Voor-Aziatische wereldrijken (Nieuwassyrië, Nieuwbabylonië, Perzië). Veranderingen op demografisch en economisch terrein Breed herstel van nederzettingen en materiële cultuur. Op grotere schaal profileert zich een elite. Er heeft waarschijnlijk bevolkingsgroei plaatsgevonden (meer gevonden graven) door veranderingen in de agrarische sector (landbouwgrond ontgonnen, grotere variëteit aan geawssen). Enkelen deden aan piraterij en handel. Dit zie je zowel terug bij Homerus (Feniciërs) en bij Hesíodus (Griekse zeehandelaren)  De polis Ontstaan pólis (politieke organisatievorm en een samenlevingseenheid; stadsstaat). Meestal gekenmerkt door relatief klein grondgebied met een stedelijk administratief centrum. Daar 7 bevond zich de ágora (verzamelplaats) en het centrale heiligdom. Belangrijk waren de polítai (burgers). Bestuur met functionarissen (legerleiding, rechtspraak en godsdienstige taken). Er was vrijwel geen koningschap (wel in Sparta); staatsvorm was aristocratie; omdat grondbezit steeds belangrijker werd. Bevorderde denken in termen van een oikos (huishouden). Belangrijk streven was naar vrijheid en autonomie. Ook in tijden dat een polis werd overwonnen door andere landen, probeerde men zoveel mogelijk hun lokale autonomie te handhaven. Niet overal waren er polis. Er waren ook ethnos (‘volk’) (samenwerkingsverband van kleinere gemeenschappen, die vooral op militair terrein gezamenlijk optraden). Griekenland was geen politieke eenheid, maar de inwoners voelden zich wel met elkaar verbonden, door gemeenschappelijke taal, door verering dezelfde goden en door bv. de Olympische Spelen. Grieken hebben veel overgenomen van de Fenicische cultuur; het alfabet, artistieke motieven, samenleven in poleis. Ook hebben Feniciërs de Grieken de weg gewezen bij het zoeken naar nieuwe handelscontacten en woongebieden tijdens de Fenicische kolonisatie.  Kolonisatie 8e tot 6e eeuw: periode van de tweede Griekse expansie (eerste was ca. 1100). Wordt vaak gezien als uitlaatklep voor de bevolkingsgroei / oplossing voor interne conflicten binnen de elite / in navolging van de Feniciërs die gingen koloniseren. Sommige koloniën zijn uit handelsmotieven gesticht (emporion)(Al-Mina in Syrië, Naucratis in Egypte). De meeste zijn gesticht als agrarische nederzettingen. Deze koloniën werden vaak onafhankelijke poleis, die wel morele en religieuze banden met de moederstad had. De komst van de koloniën heeft de handel bevorderd (Griekenland importeerde koren, Corinthe importeerde graan uit Sicilië, Athene haalde graan uit het Zwart-Zeegebied). Hierdoor werd de behoefte om verder te koloniseren minder, en ca. 550 v. Chr. stopte het vrijwel helemaal. Handel bevorderde nijverheid in de steden. Dit zorgde ervoor dat een toenemend aantal mensen buiten de landbouw werkte. Er ontstond geen tegenstelling tussen stad en platteland (alleen in sommige grote steden als Athene, Alexandrië, Antiochíë en Rome. Veranderingen op sociaal terrein Ontstaan ‘nouveaux riches’. Rijk geworden door succes in handel of door op hun tamelijk onvruchtbare grond over te stappen naar andere gewassen en producten. De kleine, naar autarkie strevende boeren kregen het moeilijker. Ze konden niet tegen de grootgrondbezitters op. Veel boeren raakten in schuldgebondenheid (bij leningen wordt het eigen lichaam in onderpand gegeven). Veranderingen op militair terrein Tijdens de donkere eeuwen was de oorlogsvoering in handen van de adellijke elite. Dit veranderde omdat nieuwe rijken en middelgrote boeren in staat waren ook een wapenrustig aan te schaffen; ze werden hoplieten genoemd (naar het schuld hoplon). Ze streden in een gesloten slagorde, de falanx genoemd. Hiervoor was grote solidariteit en een sterk saamhorigheidsgevoel noodzakelijk. Later werden ook mensen van de middenklasse hoplieten (Sparta: 7e eeuw, Athene: eind 6e eeuw). Veranderingen op cultureel terrein  Het alfabet Grieken hebben het alfabet in 10e/9e eeuw van de Feniciërs overgenomen, met een paar aanpassingen (aantal nieuwe tekens en speciale tekens voor klinkers). Deze vorm werd later weer overgenomen door de Etrusken en de Romeinen. Met welk doel het alfabet is geïntroduceerd is onduidelijk.  De literatuur Vooral luisterliteratuur die mondeling werd overgebracht. Geldt voor de Homérus en Hesíodus en ook voor politieke pamfletten (Solon). Homerus was erg belangrijk voor de Grieken; zijn werken waren een soort bijbel; hij beschrijft de wereld van de adel in de donkere eeuwen en de vroeg-archaïsche tijd. Hesíodus schreef meer over de lagere klasse in de maatschappij. Hij schrijft over de wil naar een grotere individualiteit en reflecties over 8 de maatschappij (variërend van kritiek op edelen tot vrees dat de macht van aristocratie verdwijnt). Bij de Grieken werd literatuur met naam gepubliceerd, in het Oude Nabije Oosten gebeurde dit anoniem.  Beeldende kunst Schilderkunst kennen we van vazen. Stijl Athene: zigzaglijnen en swastika’s, gestileerde mensen. Stijl Corinthe: fabelachtige dieren/planten met geel als overheersende kleur. Stijl Griekse beeldhouwkunst leek eerst op de Egyptische, maar later ontstond er een eigen stij. Grieken bouwden veel tempels voor hun goden. Er werd veel gebruikt gemaakt van Dorische, Ionische en Corinthische stijlen.  Godsdienst Godsdienst was polytheïstisch; goden waren antropomorf. Elke polis had haar eigen beschermgod die een eigen tempel op de akrópolis had. Overeenstemmingen met Mesopotamische opvatting van een schimmig en somber dodenrijk. Afwijkend was de stroming van het orfisme (scheiding tussen lichaam en ziel; is tenslotte in het christendom terechtgekomen). De mysteriecultus van de graangodin Deméter te Eléúsis ging uit van een gelukzalig bestaan na de dood (werd gesymboliseerd met het ontkiemen van de korenhalm uit de stervende graankorrel). De godenwereld was vooral een creatie van Homerus; duidelijke parallellen met Mesopotamische, Fenicische en Choerritisch-Hethitische modellen. Dondergod/Oppergod Zeus Hera (vrouw Zeus) Athena (dochter Zeus) Apollo Dionysus Hérakles Beschermheer van recht en wet Beschermvrouw van het huwelijk Godin van listige strijd en het ambacht God van het licht, orde en verstand God van de wijn, de roes en de wilde levenskracht in de natuur Zoon Zeus en stervelinge Onderscheid Griekse en oud-oosterse religie: geen centrale rol Griekse tempel in economie, cultuur en bestuur. Geen tempeldomein en geen priesterkaste die de politiek kon beïnvloeden. Welk waren tempels belangrijke banken van lening en noodreserves.  Filosofie e 7 eeuw: opkomst natuurfilosofie en wetenschap. Denkers trachtten door logisch redeneren te vinden wat de oerstof was waaruit alles voortkwam en hoe veranderingen en ontwikkelingen zich in de natuur voltrokken. Is de basis geworden voor het westerse wetenschappelijke denken. Filosoof Xenóphanes (6e eeuw): goden van de verhalen zijn slechts helpers en uitingsvormen van de ene grote god. / Filosoof Anaxágoras (500-428) en Demócritus (460-370): alles bestaat uit ondeelbare deeltjes (atomen). Beweging gestuurd door een geest, de bestuurder van de kosmos (alleen Anaxágoras dacht dit). / Filosoof Pytagoras (6e eeuw): kosmos opgebouwd uit zeven sferen. Hij geloofde in reïncarnatie. Veranderingen op politiek terrein Aristocratie kwam ten val; eisen die gesteld werden waren: 1. Optekening recht door vastleggen regels (om willekeur adel in te perken) / 2. Toelating tot ambten voor niet-adellijke rijken / 3. Afschaffing schuldknechtschap en landverdeling  Tirannie Val van aristocratie leidde vaak tot tirannie (alleenheerser die de absolute macht aan zich getrokken had, hoewel die hem rechtens niet toekwam; bijna altijd leden van aristocratische geslachten). Zowel negatieve als positieve verhalen over tirannen; verloor echter altijd snel steun (max. 2 generaties regeren) en daarna kwam een oligarchische of democratische staatsvorm tot stand.  Sparta De hioplieten doorbraken de aristocratische heerschappij in de 7e eeuw. Het erfelijke koningsschap bleef bewaard. Bevolkingsstamenstelling: Doriërs die in de donkere eeuwen de autochtone bevolking had onderworpen. Hiervan hadden de Spartanen (de Spartiaten) het volledig burgerrecht. De bewoners rond Sparta (perioiken) hadden alleen lokale autonomie in hun steedn. Heloten waren staatsslaven (eigendom van de staat). De Spartiaten brachten hun hele leven door met militaire training. 9 Koloniseerde amper, wel twee oorlogen tegen Messenië (tussen 700 en 600). Ze moesten veel heloten onder de duim houden. Hiernaast hadden ze een vrije sterke buurstaat (Argos); reden om bewoners al vroeg laten beginnen met militaire training. Hervormingen werden toegeschreven aan de wetgever Lycurgus (7e eeuw); hierin werden de Spartiaten aangeduid als homoioi (gelijken); dit betreft de gelijke positie in de falanx der hoplieten en hun gelijke stem in de apella (volksvergadering). Werkelijke macht lag echter bij de geróúsia (raad van oudsten; gekozen uit de apella, min. 60 jaar oud, 28 mannen + 2 koningen). Er waren twee koningen die elkaar in evenwicht hielden, hierdoor bleef koningschap bestaan. Dagelijks bestuur waren de vijf eforen (opzichters). Deze werden jaarlijks door de apella gekozen. Sparta was dus deels een monarchie (twee koningen), deels een aristocratie (gerousia) en deels een democratie (apella en eforen). In het midden van de 6e eeuw werd de Peloponnesische bond opgericht (bond stadstaten op de Peloponnésus; Argos was geen lid). Sparta koos partij tegen de tirannen (Perzië).  Athene Gebied bleef bewoond na Myceense periode en kende ca. 900 een bloeiperiode. Bevolkingsgroei bracht Athene niet tot kolonisatie (Attica was groot genoeg). Athene kende en aristocratisch bestuur; eerst drie, later negen archonten die de koninklijke functies van legeraanvoerder, hogepriester en opperrechter hadden overgenomen. Alleen leden van de adellijke families (Eupatríden = mensen met goede vaders) kwamen in aanmerking. Na een termijn van 1 jaar kwamen ze terecht in de adelsraad, de Areópagus (Aresheuvel). Aristocratie werd ondermijnd. In 632 eerst door Cylon, zijn poging tot tirannie faalde. Er kwam een codificatie van het bestaande gewoonterecht door Dráco (hij schafte bloedwraak af). In 594 kreeg archont Sólon speciale volmachten om conflicten bij te leggen. Zijn regels: 1 Hij deelde Atheense burgers in in vier vermogensklasse (1+2 rijke en minder rijke adel en de nouveaux riches / 3 gewone boerenstand, de ‘zeugiten’ / 4 de ‘theten’, hadden weinig tot geen bezit)(je had ook metoiken, vreemdelingen, die hadden geen burgerrecht en slaven). Klasse 1 en 2 hadden toegang tot de archonten, Klasse 1, 2 en 3 hadden toegang tot de raad van 400, Klasse 1 t/m 4 hadden toegang tot de volksvergadering. 2 Hij schafte de schulden van boeren en schuldgebondenen af (schold dus schulden vrij, liet schuldgebondenen vrij, kocht schuldslaven terug en verbood het eigen lichaam als onderpand te geven bij leningen, status van hektémoros (1/6 van oogst weggeven) werd afgeschaft). Landverdeling vond Solon te radicaal 3 Hij verbood de export van graan en moedigde de het verbouwen van olijven aan 4 Hij heeft een nieuwe rechtscodex opgesteld i.p.v. die van Draco en creëerde de volksrechtsbank (heliaia; steeds 500 rechters uit lijst van 6000) Er was ontevredenheid van de arme boeren en gebruikmakend hiervan greep Pisístratus de macht (eerst in 561 en later in 546). Hij had beschikking over goudmijnen in Thracië en gebruikte die om zijn tirannie in stand te houden. Hij maakte niet adellijken tot hopliet, verbande edelen en bevorderde nationale religieuze festijnen. Zijn regering bracht verbeteringen voor de gewone man (nijverheid nam toe door bouw nieuwe tempels). Na zijn dood namen zijn zonen, Híppias en Hippárchus het over. Hun tirannie kwam al in 510 ten val door toedoen van de verenigde aristocratie (met hulp van Sparta) In 508 werd Cléísthenes de leider, doordat hij het volk (dèmos) in zijn aanhang opnam. Hij was de grondlegger van de Atheense democratie. Hij deelde het Atheense grondgebied in in tien fylen/districten. Elk district bestond uit drie tríttyës (kust, binnenland en stad). De kleinste eenheid was de deme (dorp of stadswijk; waren er 139 van). Uit elke fyle kwamen 50 mannen voor de Raad van 500 (boulè). Men mocht eenmaal 1 jaar in de raad zitten. Hierdoor hadden vele Atheense burgers politieke ervaringen. Het dagelijks bestuur was de volksvergadering (ekklèsia), bestond uit alle volwassen mannelijke burgers van de polis. Wetsvoorstellen van de boulè waren niet bindend, de volksvergadering had het laatste woord. (vrouwen/metoiken/slaven hadden geen stem) 10 De rol van de Areópagus werd steeds kleiner. In 487 werd er besloten archonten door loting aan te wijzen, hierdoor daalde het aanzien van dit ambt en steeg dat van de strategen. Elk jaar werden tien strategen gekozen voor één jaar, zij waren onbeperkt herkiesbaar. Ook stelde Cleisthenes het ostracisme (schervengericht) in. Elke jaar kon er iemand verbannen worden voor 10 jaar als hij de meeste stemmen kreeg tijdens deze vergadering. Zijn bezit kon hij na tien jaar weer ophalen, maar dit gebeurde vaak niet. 10. De klassieke periode (500-330 v. Chr.) De Perzische oorlogen Perzische koning Cyrus veroverde Lydië (547) en daarmee ook de Griekse steden aan de Klein-Aziatische westkust. Hij stelde plaatselijke aristocraten aan als tirannen (onder toezicht van Perzische satrapen). Poging loskomen van Perzen in 499, deze mislukte. In 482 strafexpeditie Perzische koning Daríus I (522-486) tegen Athene. Perzen verloren bij Márathon in Attica (Atheense hoplieten o.l.v. Miltíades); Sparta bleef buiten de Ionische opstand + gevechten. In 480 probeerde Daríus’ opvolger Xerxes Griekenland te verslaan. De Griekse Themístocles had vanaf 483 een grote oorlogsvloot laten bouwen (d.m.v. geld uit de zilverader bij Laureíon) en daarmee werden de Perzen tegengehouden bij Thermópylae (Spartaanse koning Leónidas en 300 hoplieten; verloren) en in de baai van Sálamis werden de Perzen verslagen (wel werd Athene verwoest). Om 479 werd het landleger van de Perzen bij Platáeae verslagen door een Spartaans leger. In 449 aanvaarden de Perzen hun verlies. Sparta en Athene na 479 v. Chr. Sparta verliet de oorlog na 479 (geen vloot van betekenis / angst voor hoplieten opstand). Er ontstond een hoplietenopstand in 464 (na een aardbeving) en in 462/1 vroegen ze Athene om hulp; zij stuurden troepen. Toen deze werden afgewezen ontstond er een oorlog tussen Athene en Sparta (en bondgenoten) van 461 tot 446. Probleem Sparta: aantal burgers (Spartiaten) nam af door lage geboortecijfers/degradatie van verarmde Spartiaten.  De Delisch-Attische Zeebond (477-404 v. Chr.) 477; stichting Delisch-Attische Zeebond (tegen Perzië). Sommige leden leverden schepen en soldaten, meeste betaalden een financiële bijdrage (kas gevestigd in Délos). Lidstaten werden met geweld gedwongen lid te blijven; ook begon Athene zich te bemoeien met bv. rechtspraak en de regerende partijen in de lidstaten. Atheners stichtten een netwerk van kolonies (klerouchieen)(onderdelen van polis Athene); waren militaire steunpunten. Uittredende staten werden bijna altijd door oligarchische regimes. Over het algemeen waren democraten pro-Atheens en oligarchisch gezinden (rijkeren) pro-Spartaans.  Atheense leiders in de vijfde eeuw Staatslieden Athene: Themístocles (490-470), Címon (470-461) en Péricles (460-429). Stonden allemaal loyaal tegenover de democratie. Themístocles en Péricles streefden naar een hegemonie; bouwden lange muren rondom Athene en havenstad Piráéus. Onder hen zien we een combinatie van expansionisme naar buiten en democratische gezindheid naar binnen. Címon was meer behouden en kwam ten val toen er een oorlog tussen Athene en Sparta uitbrak (461)(Athene probeerde Midden-Griekenland en de Peloponnesische kusten te veroveren). Ook steunde Athene een Egyptische opstand tegen Perzië (455). Was teveel en in 454 leden ze een verlies in Egypte en moesten ze een compromisvrede sluiten met Sparta; Atheners brachten in dit jaar de bondsklas naar Athene.  De Atheense staatsinkomsten Inkomsten: bijdragen bondgenoten (bondskas), opbrengst zilvermijnen van Laureion, tolgelden en havengelden, metoiken (vreemdelingen) betaalden hoofdelijke belasting en een marktbelasting, liturgieën van rijke burgers (financiële diensten; burgers betaalden geen directe belasting), opbrengst goudmijnen in Thrácië (5e eeuw). Indirect inkomen uit eigen machtspositie; handel met graangebieden. De Peloponnesische oorlog (431-404 v. Chr.) In 431 opnieuw oorlog tussen Athene en Sparta door moeilijkheden tussen Athene en Sparta’s maritieme bondgenoten (Corinthe en Mégara). In de hele Griekse wereld werd 11 zwaar gevochten. Péricles had oorlog goed voorbereid (krijgskas van 6000 talenten en een lange termijnstrategie); hij wilde Sparta financieel uitputten. Dit lukte (ondanks dood van Péricles en een epidemie (429-427)) en in 421 sloot Athene vrede op redelijke voorwaarden. Athene verspeelde het beste deel van zijn leger/vloot tijdens een poging om Sicilië te veroveren (415-413); idee van volksmenner Alcibíades, hij liep later over naar Spartanen; ried hen aan om vast punt in Attica te bezetten, Syracuse te helpen en contact met Perzië te zoeken. De tweede fase van de Peloponnesische oorlog begon (413-404). Spartanen bezetten Deceléa en hinderden daarmee landbouw en mijnbouw (zilvermijnen). Slaven liepen weg en Athene miste voedsel en geld. Perzië koos kant van de Spartanen en hielpen met bouwen vloot. In 405 werd de Atheense vloot door Spartaan Lysánder verslagen bij Aigospótamoi; Athene capituleerde in 404 (door gebrek voedsel). Gevolgen: Delisch-Attische bond opgeheven, lange muren werden afgebroken, Athene werd en pro-Spartaans oligarchisch bewind (na een jaar keerde de democratie weer terug). De periode 404-336 v. Chr. Tussen 404-338 coalitieoorlogen tussen om hegemonie tussen Sparta (hoofd Peloponnesische bond, Thebe (hoofd bond Boeítische stadsstaten) en Athene. Sparta had tekort aan Spartiaten. Om te voorkomen dat de Griekse poleis zich zouden verenigen tegen Perzië, speelde de Perzen de gebieden tegen elkaar uit. De ene keer hielpen ze de Atheners, de andere keer de Spartanen (bv,. De Corinthische oorlog (395-386); eerst Athene helpen d.m.v. bekostigden herstel muren en zeemacht, later Spartanen helpen; in 386 ‘koningsvrede’; omdat Perzen dat wilden).  De Tweede Attische Zeebond (377-355) Gericht tegen Sparta, minder door Athene overheerst (leden betaalden geen schattingen, waren autonoom en hadden medezeggenschap over buitenlandse politiek). Bondsgenoten kwamen in 357 in opstand toen Athene harder begon op te treden en burgerkolonies (klerouchieën) ging stichten. In 355 viel de bond uiteen  Sociale en militaire veranderingen Steeds meer professionele huursoldaten (kleine verarmde boeren en ballingen). Keerpunt coalitieoorlogen in 371: Thebaan Epaminóndas (militair genie) versloeg Sparta bij Leuctra, bevrijdde de heloten en hief de Peloponnesische bond op. Leidde tot een aantal oorlogen tussen stadsstaten en revoluties; arme burgers eisten herverdeling grond/delging van schuld/ minder oligarchisch bestuur; leidde tot veel ballingen en armen die als huursoldaat in Perzische dienst traden. Macht Thebe ging achteruit (362; veldslag bij Mantinéa) na dood Epaminóndas.  De opkomst van Macedonië Was een achtergebleven gebied; behoorde tot de marge van de Griekse wereld maar werden niet als Grieken gebouwd (afgezien van het koningshuis; stamde af van Argos).  Philippus II (359-336): Einde van de klassieke periode in de Griekse geschiedenis Macedonische koning Philíppus II (358-336) moderniseerde het leger en bezette de goudmijnen in Thracië. Hij versloeg de Atheners en de Thebanen in 338 v. Chr. bij Chaeronéa. Hij richtte in 337 de Corinthische bond op (Macedonië, alle Griekse staten op Sparta na); lidstaten hoefden geen schattig te betalen, onderlinge conflicten uitbannen en waren autonoom in interne zaken. Wilde waarschijnlijk Perzië invallen, maar werd in 336 vermoord. 338 v. Chr. wordt gezien als het einde van de periode der vrije autonome stadstaten. Meningen waren verdeeld in Griekenland: Demóstenes wilde volledige zelfstandigheid en de macht van Athene handhaven. Isócrates wilde een vereniging van alle Grieken onder een sterke leider (pleitte voor een oorlog van alle Griekse staten tegen Perzië). Tijd van toenemende migratie (Grieken naar Azië) en handelsverkeer (tussen Griekse steden en de westkust van Klein-Azië). De Atheense bevolking in de vijfde en vierde eeuw v. Chr. In 5e eeuw: Athene economische en culturele centrum van Griekenland. Grieken uit Ionië en Atheens bondgebied vestigden zich blijvend in Athene. Veel slaven werden naar Attica gebracht (krijgsgevangenen, gedeporteerden, koopwaar van handelaren). 12  De metoiken Persoonlijk vrij, geen burgerrecht (dus buiten politieke besluitvorming). Moesten vaste directe belasting bestalen en dienen in de Atheense krijgsmacht. Ze mochten geen grond bezitten (soms uitzonderingen). Deden veel verschillende soorten beroepen.  De slaven Werkten op dezelfde plekken waar ook vrijen werkten. Als ze werden vrijgekocht/vrijgelaten kregen ze een status die overeenkwam met die van de metoiken (vrijkoop kon gedaan worden door een vrij (huwelijk), door een woekeraar (terugbetaling met rente) of door vrijlating (soms terugbetalen in termijnen). In Athene minder geneigd tot een opstand dan in Sparta. Slaven waren verschillend en verstonden elkaar niet. Werk ging tijdens oorlogsjaren gewoon door; burgers gingen naar het slagveld. Atheners waren niet scheutig met het verlenen van burgerrecht. In Laconië en Messenië vormden de slaven homogene nationale groepen; werden onderdrukt en woonden bij elkaar.  Vrouwen in Athene en Sparta Stonden buiten politieke besluitvorming/rechtspraak, niet zelf optreden in rechtbank, vermogen werd beheerd door mannelijk familielid. Mochten wel meedoen aan openbare erediensten voor goden/andere religieuze taken. Leefden meestal binnenshuis. Hetairen konden zich vrijer bewegen (iets tussen callgirls en gezelschapsdames). In Sparta konden vrouwen zich iets vrijer bewegen omdat mannen altijd weg waren (militaire bezigheden). Vrouwen kregen een goede fysieke training (baren betere krijgen). Verdere ontwikkeling van de Atheense democratie 487: voorstel Themístocles dt de ambt van archont door lot toegewezen zou worden. Strategen kregen hierdoor meer macht; deze werden gekozen door de volksvergadering. Strategen werden vaak opnieuw gekozen tot hun dood/hun verbanning.  De raad van de Areópagus in 462/1 Macht werd drastisch beperkt. Leiders Ephiáltes en Pericles zorgden ervoor (tijdens de afwezigheid van strateeg Címon) dat de raad alle politieke betekenis verloor; diende toen alleen als rechtbank voor halsmisdrijven. Supervisie en controle op wetgeving/magistraten viel toe aan de raad van 500, de volksvergadering en de volksrechtbanken. Uitschuiving werd gevolgd door de val van Címon.  Pericles Belangrijkste Atheense leider (na 460). Begon met stelsel van uitkeringen en presentiegelden, zodat arme burger meedeed aan besluitvorming. Tweede helft 5e eeuw: geringe vergoeding voor het zitten in de raad van 500 en in de jury van volksrechtbanken. Vanaf 399 ook presentiegelden voor het bijwonen van de volksvergadering. Tijdens feesten kregen burgers ook nog een uitkering. Volksvergadering vergaderde ten minste 40 keer per jaar (op heuvel Pnyx). Arme boeren deden hier vaak niet aan mee, presentiegelden (399) veranderden niet veel.  De democratie en de vloot Armere burgers kregen na presentiegelden en verschuivingen meer gewicht in rechtspraak, besluitvorming, dagelijks bestuur en militaire betekenis.  Oude en nieuwe politici Tot 429: Atheense leiders nog aristocraten; hadden een voorsprong in vrijwel alles (bezit, opvoeding, vrijetijd, steun van burgers uit allerlei standen (door patronage en liefdadigheid), politieke vrienden, ze hadden indruk op de massa en een voorsprong in informatie). Na de dood van Pericles waren er geen Atheense politici meer die alle kwaliteiten had (militair, redenaar, financier). Er waren nu ook ondernemers (Cléon) en demagogen (volksmenners; moesten gemis aristocratie compenseren door welsprekendheid).  Stabiliteit van de Atheense democratie Vrij sstabiel in de klassieke periode. De controle van de raad van 500, de volksvergadering en de volksrechtbanken op de aanzienlijken die de hoge ambten bekleedden, was goed geregeld. Onder burgers bestond een sterk saamhorigheidsgevoel (door vele oorlogen en trots op literaire/artistieke prestaties); succes was van het hele collectief van de Atheense 13 dèmos. Sommige auteurs zien verband tussen stabiliteit van de Atheense democratie en het Atheense imperialisme (materiële voordelen leidden tot in stand houding van verschillen arm en rijk, acceptatie van democratie door rijken die zich nu nuttig maakten door bestuursactiviteiten en liturgieën). Aanwezigheid grote hoeveelheid slaven ook reden voor goede functioneren Atheense democratie; democratie werkte omdat de slaven het werk deden terwijl de burger bezig was met de politiek.  Kritiek op de Atheense democratie Oligarchisch gezinde schrijvers: democratie is een staatsvorm die de armen de gelegenheid gaf de rijken en verstandigen te tiranniseren en waarin de onwetende massa het voor het zeggen had. Velen stelden de democratie verantwoordelijk voor de tegenslagen na 431. Beleid was weinig helder en consistent. Rijken werden na 413 vaak belast met hoofdelijke omslagen om de tekorten te dekken. Athene zat na 404 vaak in financiële problemen. Athene als centrum van de Griekse cultuur in de klassieke tijd 480-338: de klassieke era; Athene als cultureel centrum en leerschool van Griekenland. Athene was volledig vrij (niemand kon bestaan goden ontkennen of staatsgod beledigen). Veel mensen met geld leidde tot veel opdrachten. Ook veel uitwisseling tussen kundige, creatievelingen voor een breed publiek. Deze combinatie zorgde voor een rijke oogst in bouwkunst, beeldende kunst, literatuur en wijsbegeerte.  Het Attische drama Ontstaan uit beurtzang tussen koor en voorzanger ter ere van de god Dionysus; een cultus van het poliscollectief (net als het feest voor godin Athena; de Panathenáéën). Koor speelt altijd mee, theater werd gehouden in open lucht en betaald door rijke burgers en metoiken. Tijdens de Dionysusfeesten was er sprake van competitie. Tragedies gingen over de verhouding tussen mensen de goden. Geliefde thema’s waren de lotgevallen van Oepidus en het dilemma van Orestes. Bekende tragediedichters waren Aeschyclus (Oresteia en de Perzen; over nederlaag van Xerxes bij Salamis), Sophocles (Oepidus Tyrannus en Electra) en Euripides (Bacchae; over de intocht van extatische Dionysusriten en een Orestes). Komedies waren in de 5e eeuw politieke cabaretten, ingekleed in toneelspel. Bekende vertegenwoordiger is Aristóphanes (Lysistrata; seksstaking van vrouwen om de mannen tot het sluiten van vrede te bewegen tijdens de Peloponnesische oorlog). In 4e eeuw werd komedie meer een burgerlijk blijspel (Nieuwe Komedie), vertegenwoordiger: Menander.  De filosofie De mens in zijn vermogens tot kennen, zijn gedrag en zijn staat en maatschappij als studies.  De sofisten Rondtrekkende leraren die les gaven in welsprekendheid (retorica)(2e helft 5e eeuw en begin 4e eeuw). Vooral in Athene populair. Dachten ook na over staat en maatschappij, over de taal en over de normen voor menselijk gedrag. Rationele, logische denkwijze toepassen op alle gebieden. Radicale sofisten: wetten/regels hadden niks absoluuts/goddelijks.  Retorisch onderwijs Vanaf 4e eeuw ontstaan schoolsysteem; jongeren uit elite leerden thuis/bij een schoolmeester lezen, schrijven en rekenen en daarna bij een rétor (had een school op vaste standplaats) in de welsprekendheid. Hierdoor ontstond in de Griekse bovenlaag een beschaafde elitaire spreek- en schrijftaal. Retorica kreeg meer invloed op proza/drama. Ook trad er in de literatuur een verburgerlijking op; meer richten op vraagstukken van opvoeding, alledaagse gedragsnormen en andere aspecten van de burgerlijke moraal. Ging gelijk op met de achteruitgang van de aristocratie.  Sócrates (469-399) en Pláto (429-347) Bestrijders sofisten. Socrates: wetten waren verankerd in absolute zedelijke normen en trachtte deze op te sporen door te vragen naar de definitie en precieze inhoud van begrippen als wijsheid, vroomheid, dapperheid en dergelijke. In 399 ter dood veroordeeld omdat hij de jeugd bedorven zou hebben. Zijn leerling Plato schreef alles op. Plato: alles op aarde was een afschaduwing van prototypen en grondvormen in een hogere wereld, de wereld der ídeai (grondvromen). Menselijke ziel had voor de geboorte kennis van 14 de ideai, maar na geboorte verloor hij dit. Slechts door grondige sutdie van alle aspecten van de werkelijkheid kon de mens dit weer herinneren. De hoogste idea was die van het goede (soms synoniem voor god). Perfecte polis: drie standen (filosofen/regenten, wachters en werkers). Hij wilde filosofen het recht op eigen bezit en eigen gezinnen ontzeggen; hoogste standen mochten niet erfelijk zijn. In 390 stichtte hij de Academie (school voor zijn leerlingen); volgelingen werden academici genoemd.  Aristóteles (384-322) Leerling van Plato. Geloofde dat alles op aarde logisch in soorten en categorieën te ordenen was door de eigenschappen en kwaliteiten van alles te analyseren. Zijn staatskundig ideaal was een staat waarin de deugd en de bekwaamheid in allerlei aspecten van het menselijke handelen de normen zouden zijn voor het staatsbestuur en het leven van de burgers: aristocratie in hogere zin. Hij vond een polis met een gemengde staatsregeling het beste en de aanwezigheid van een sterke middengroep belangrijk voor de stabiliteit van een staat. Volksvergadering zou zich moeten laten adviseren door deskundigen. Hij stichtte een school: het Lyceum.  De geschiedschrijving: Heródotus (485-425)(‘Vader van de geschiedkunde) Geschiedschrijving ontstond in 5e eeuw. Heródotus schreef de Historiën over de Perzische oorlogen en de voorgeschiedenis ervan. Gen mythische verhalen als Homerus, maar trachtte de waarheid te achterhalen door te ondervragen en zijn informatie kritisch af te wegen. Zijn werk kwam voort uit de Ionische traditie van land- en volkenkunde.  De geschiedschrijving: Thucýdides (460-400) Schreef de geschiedenis van de Peloponnesische oorlog. Hij versmalde de geschiedeis tot politieke en militaire geschiedenis. Maakte onderscheid tussen oorzaken en aanleidingen. Legde het accent op de geschiedenis van zijn eigen tijd.  Retorische geschiedschrijving Geschiedschrijving raakte onder invloed van het onderwijs in de retorica. Werken kregen allerlei stilistische motieven, dramatische effecten en moralistische gemeenplaatsen. Goede geschiedschrijven bleven zoeken naar het weergeven van de gebeurtenissen en hun ware toedracht. De Grieken in het westen van het mediterrane gebied 750-550: Griekse stadstaten gesticht aan de kusten van Zuid-Italië, Sicilië en Zuid-Gallië; groeiden uit tot steden meer veel voorspoed doordat ze zich hadden gesteld in vruchtbare kustvlakten, met goede transportmogelijkheden, zodat landbouwoverschotten gemakkelijk geëxporteerd konden worden. In de loop 6e eeuw: einde kolonisatie Grieken. Carthágo hield de Grieken uit Noord-Afrika, Zuid-Spanje, Sardinië en de westpunt van Sicilië. Ook Etrusken (volk in Italië) hadden een sterke positie. In 480 probeerde Carthágo geheel Sicilië in haden te krijgen maar tiran Gélo versloeg ze bij Hímera. Zijn broer en opvolger Híëro I versloegen de Etrusken in 474 bij Cúmae. Hierna nam Etruskische macht af. Tussen 282 en 270 kwam dit hele gebied binnen het Romeinse machtsgebied te liggen en na 270 beheerste Rome de gehele Italiaanse laars. Sicilië: strijd met Syracusanen; vanaf 409 oorlogen tussen Grieken o.l.v. Syracuse en de Carthagers. Duurden tot in 3e eeuw, eindigden toen Rome Sicilië veroverd had. Weinig democratie in deze gebieden, telkens opnieuw een tiran die de macht greep (steunend op hun huursoldaten en arme burgers; wilden herverdeling van grond en delging van schuld). 4e eeuw: Grieken wilde sterk staan door: een samenbond van autonome poleis of een territoriale monarchie met een grote Griekse stad als versterkt centrum. Laatstgenoemd werd nagestreefd door Dionysius I (Syracusaanse tiran; 405-367). Strandde op hardnekkig verzet van Grieken die de autonomie van de stadstaten wilde handhaven. Gebieden als Italië, Gallië en Spanje hebben de vergaande overname van Griekse cultuurgoed door Romeinen, Galliërs en andere West-Europeanen die naderhand plaatsvond, voorbereid. 11. De hellenistische tijd (330-30 v. Chr.) Alexander de Grote 15 334: Alexander steekt met Macedonisch leger en hulptroepen uit Corinthische bond over na Klein-Azië, daar verovert hij Griekse steden aan de westkust. Hierna versloeg hij de Perzische hoofdmacht (o.l.v. Daríus III) bij Issus. Hij bezocht vervolgens het orakel van Amon en werd hier begroet als farao (dus zoon van Amon); sindsdien gedroeg hij zich als een godenzoon (Zeus Ammon). Hij stichtte de stad Alexandrië. In 331 v Chr. versloeg hij opnieuw de Perzische hoofdmacht bij Guagaméla. Hij liet zich kronen als ‘koning van Azië (met een diadeem). Hij toonde zijn ‘goodwill’ door een Perzische prinses (Róxane) te huwen. In 324 keerde Alexander terug naar Babylon, zijn manschappen wilden niet meer verder. Hij overleed op 11 juni 323 v. Chr. Alexander nam veel Perzische gebruiken over, liet het bestuur van het rijk bij de oude (satrapen mochten blijven regeren) en paste zich aan aan lokale tradities. Ook wilde hij het hofceremonieel invoeren (de knieval); Grieken en Macedoniërs accepteerden dat niet, aangezien de knieval alleen werd gedaan voor de goden en ze zagen de koning als een gelijke. Hij nam ook afstand van Perzië; noemde zichzelf koning van Azië en liet het paleis in Persepolis afbranden. Hij wilde Babylon als hoofdstad maken; Macedonië was weer een buitengewest geworden. Van Alexander de Grote tot de Romeinse bezetting Na de dood van Alexander viel het rijk uiteen. Zijn zwakzinnige halfbroer (Philippus Arrhidáéus) werd tot koning uitgeroepen; de zoon van Alexander en Roxane zou medekoning worden. De werkelijke macht lag bij de Macedonische generaals; hadden gebied op het slagveld verdeeld. De officiële koningen werden vermoord (317 en 310). De nieuwe koningen werden diadóchen (= opvolgers) genoemd Azië Antígonus de Eenogige (satraap van Azië)(in 301 verslagen) Seleucidische rijk Later: Seleucus I (311-283)(beheersten ook grootste deel west-Azië, later ook Palestina) Babylonië Seleucus (satraap van Babylonië)(in 311 strateeg van Azië) Egypte Ptolemaeus I (323-283)(satraap van Egypte)(beheersten ook Cyrene, Cyprus, Palestina (tot 200) en Griekse eilanden Antigonidische rijk Antígonus Gonátas (277/6-239) (nazaat Antígondus de Eenogige) (Macedonië) Pérgamum Onder regime Attaliden (begin 3e eeuw) Bactrië Onder regime Griekse kolonisten Parthië Onder regime Indo-Iraanse binnenvallers Makkabese rijk Onder regime van Joden  Macedonië: het rijk der Antigoniden In 277/6: stabiele dynastie onder Antígonus Gonátas. Kon voortbouwen op eigen inheemse tradities. Was sterk door verbanden als de Corinthische bond. Rijk werd vaak gedwarsboomd door Ptolemeeën, Seleuciden, opkomende bondsstaten (Griekenland) en door agressieve volkeren uit het noorden. Rijk verloor tegen de Galaten (279). In vier oorlogen tegen de Romeinen werd hun macht gereduceerd (tussen 215 en 146 v. Chr.) In 148 werd Macedonië ingelijfd als Romeinse provincie, in 146 gebeurde dat ook met Griekenland.  Athene en Sparta Athene: Macedonisch garnizoen en constitutie werd gewijzigd (burgerrecht voor mensen met bepaald bezit); betekende einde democratie. Kon de Macedonische macht af en toe afschudden met behulp van buitenlanders. In 86 legden de Romeinen een timocratisch, oligarchisch systeem op (na en opstand). Sparta: bleef buiten Corinthische bond. Pogingen van koningen Agis IV en Cleómenes III om aantal Spartiaten te vergroten door perioiken Spartiaat te maken mislukten; gevolg waren revoluties (door herverdeling land; dat wilden andere gebieden ook wel). In 222 werd Cleomenes verslagen door Macedoniërs bij Sellasia.  Bondsstaten in Griekenland 16 Aetólische bond en Acháéische bond; niet één polis had de leiding; dus duidelijk een bondsstaat. Burgers hadden dubbel burgerrecht. Moesten uiteindelijk buigen voor Romeinse overmacht.  Azië: het rijk der Seleuciden Een voortzetting van het Perzische rijk onder een Macedonische dynastie; satrapen indeling bleef in stand; kern was Babylonië. Seleucus I stichtte vier nieuwe steden (o.a. Antiochíën aan de Orontes; werd later groot metropool). Geen etnische eenheid; rijk bevatte talloze volkeren en culturen en afbrokkeling dreigde steeds. Antiochus III de Grote (223-187) vergrootte het rijk in 200 v. Chr. (veroverde Zuid-Syrië en Palestina). Hij kwam in conflict met Rome in 191 tot 188; verloor en moest gebieden in Klein-Azië afstaan en een oorlogsschatting betalen. Antiochus IV Epiphanes (175-164) veroverde Egypte in 168. In 141 verloren ze Mesopotamië aan het Parthische rijk. In 64 werd het Seleucidische koninkrijk door Romeinen opgeheven en omgevormd tot de provincie Syria.  Egypte: het rijk der Ptolemeeën Grote bloei onder Ptolemaeus I (323-283) en Ptolemaeus II (282-246); groei Alexandrië. In 2e eeuw verzwakking door verlies Syrië/Palestina en toenemende onrust onder autochtone bevolking. In 30 v. Chr. Verloor het rijk zelfstandigheid. Laatste vorstin (Cleópatra VII) pleegde zelfmoord na verovering door Octaviánus (keizer Augustus). Was een goed georganiseerd rijk, dat kon voortbouwen op de oude faraonische instellingen. De staat werd bijna als een bedrijf gerund met een fijnmazige bureaucratie. Het rijksbestuur en de steden in de hellenistische rijken In hellenistische tijd namen rijken de plaats in van stadstaten? Deels waar: Griekenland bleef het terrein van stadstaten; hiervoor waren lang niet alle stadstaten vrij en autonoom. Wel enkele nieuwe ontwikkelingen: stadstaten konden internationaal geen machtige rol meer spelen / bonden werden belangrijker dan stadstaten in de politiek / overal in het oosten werden nieuwe Griekse steden gesticht. Soms ontstonden steden ook uit kolonies van soldaten en veteranen. Sommige steden werden heel groot (Alexandrië werd een conglomeraat van vele volkeren). Koningen (verdedigers van vrijheid en autonomie); steden mochten zichzelf besturen met gekozen magistraten, een raad en een volksvergadering. Elke stad had eigen grondbezit en sommige waren vrijgesteld van belasting. Een gouverneur hield echter altijd een oogje in het zeil. Niet-Grieken kregen een vorm van zelfbestuur in eigen etnische organisaties (politeumata). Oude, grote oriëntaalse steden (Memphis, Thebe, Babylon, Uruk. Susa, Jeruzalem, etc.) mochten hun eigen stadsbestuur houden, mochten tempels herbouwen, recht spreken, afspraken gemaakt worden over grond. Aan de andere kant werden ze wel steeds benadeeld, omdat ze geen duidelijke hoofdrol meer konden opeisen. Na verloop van tijd kregen sommige steden een Griekse gemeenschap en signatuur (door bv. Oprichting gymnasia, theaters, etc.) Bestuur grote rijken was overal monarchaal, maar niet identiek. Macedonië: koning was eerste onder de edelen/werd aangewezen door legervegadering. In praktijk: koningschap kreeg meet absoluut karakter (verschil Macedonië: heersende macht as uitheems). De structuur van de aanwezige landen veranderde weinig; slechts de toplaag (Seleucidische rijk leek op Perzische, Ptolemeïsche rijk leek op faraonische Egypte). Opkomst heerserscultus. Economie en maatschappij  Griekenland Problemen: grotere kloof arm en rijk / steeds opnieuw de eis tot landverdeling en schulddelging / sociale conflicten in de poleis. Burgerrecht werd vaak gekoppeld aan een minimumvermogen / raadslidmaatschap was voorbestemd voor de rijken. Oligarchische overheersing werd gesteund door de Romeinen (vonden ze makkelijker te controleren dan democratie). Veel mensen werden huurling in legers in de hoop vestiging te krijgen in een militaire kolonie. Griekse steden werden door de opkomst van bv. Alexandrië en Antiochië minder belangrijk. 17  Het Nabije Oosten Economie/maatschappij veranderden niet veel: redistributie-economie bleef bestaan (Egypte) / staat regelde landbouw door te bepalen wat ingezaaid werd en zaaigoed te verstrekken; werk in staatsbedrijven en voorgeschreven prijzen. Doel van deze politiek was zo veel mogelijk edelmetaal in de schatkist krijgen door zware belastingen (schadelijk voor boerenstand), hoge invoerrechten en export (graan). In Seleucidische rijk bleef grond in handen van het paleis/tempels/particulieren. Voornaamste arbeidskracht werd geleverd door inheemse boerenbevolking. Slavernij is in het oosten minder belangrijk geweest, doordat reeds een grote afhankelijke bevolkingsgroep aanwezig was. Handel beleefde in de hellenistische tijd een groei, doordat er meer geld ter beschikking kwam (Alexander bracht goudschatten van Perzisch rijk in omloop). Oorlog effect op economie: grote schade (graanprijzen werden hoog, inflatie door komst Perzische goudschatten); komst Parthen brengt blijvende instabiliteit en hoge prijzen. Anderzijds: welvaart voor overwinnaars (grote steden konden groeien door inkomsten uit belastingen en buit; trok hierna weer handel en bedrijvigheid aan). Culturele aspecten  Algemeen Griekse steden belangrijk voor verbreiding Griekse cultuur (oude cultuur bleef bestaan). Beroepssport deed zich intrede; bedreven in gymnasia. Veel theaters, tempels en gebouwen voor het stadsbestuur. Oriëntaalse steden kregen ook deze gebouwen en namen Griekse cultuur aan. Deze ‘hellenisering’ had vooral betrekking op de bovenlaag. Ook veel oorspronkelijke cultuur (spijkerschrift bleef bestaan, opleving Sumerische religieuze literatuur, Egyptische stijl bleef bestaan, hiëroglyfenteksten). Van mening van oosterse en Griekse culturen is nauwelijks sprake geweest; stijlen bevinden zich naast elkaar; deze gescheidenheid gold ook bij de godsdienst, filosofie en wetenschap.  De Griekse godsdienst Kritiek op oude mythen over homerische goden; nieuwe ideeën van Xenóphanes, Plato en de mysteriën van Deméter in Eleusis kwamen op. Zetten zich door in de hellenistische tijd. Olympische goden verloren vertrouwen; werd echter niet ontkend/minder. Goden kregen een universeler karakter. Verering van het Noodlot en het Toeval als persoonlijke godinnen kwam op. Door cultuurvermenging begon men eigen goden met de vreemde goden te identificeren. Ook werden nieuwe goden door de Grieken geaccepteerd (bv. de Egyptische godin Isis); henotheïstische tendens. Begin heerserscultus; heerser werd beschouwd als een nabije god/redder/weldoener. Vooral in Griekse steden en kust van Klein-Azië; te onderscheiden van de staatscultus (in Ptolemeeën en Seleuciden; voor overleden voorgangers, later ook voor zichzelf en hun vrouw). Mysteriegodsdiensten werden veel groter, bestond al wel (bv. cultus van Eleusis). Oosterse invloed op het westen; Babylonische astrologie. Planeten werden door Grieken en Romeinen naar Babylonisch voorbeeld van goden namen voorzien.  Oriëntaalse godsdiensten Weinig van Griekse invloed te merken. Riten, gebeden en tempels hielden hun traditionele vormen en de koningen bevorderden deze culten. Griekse invloed wel sterk in Klein-Azië; inheemse talen gingen steeds meer het veld ruimen voor het Grieks. Toch hielden ook hier goden met Griekse namen een oosters karakter. Omgekeerd gebeurde het ook dat Grieken aan oosterse goden eer bewezen. In het algemeen bleven de godsdiensten gescheiden.  Filosofie Zelfstandige rol polis uitgestoven; mens werd als wereldburger gezien (kosmopoliet). Speciale aandacht kregen de individuele verantwoordelijkheid, de persoonlijke ethiek en de vraag hoe de individuele mensen gelukkig wordt. Stromingen: de Academie en het Lyceum, de stoïcijnen, de epicureeërs en de cynici. Stoïcijnen De kosmos werd geregeerd door een redelijke goddelijke Stichter: Zéno macht, die alles doordringt, aangeduid als logos/Theos. In 18 Epicureeërs Stichter: Epicúrus de mens was iets van die god aanwezig. Alles heeft een doel en een plaats in de natuurlijke orde. Bevrijden van felle emoties; jezelf laten beheersen door het verstand; vrijheid was geestelijke berusting van het individu. Persoonlijk genot het hoogste ideaal; door jezelf vrij te maken van hartstochten en angsten. Geloofde dat alles bestond uit atomen en hij geloofde in het toeval; juist daarom ook bleef er niet anders als levensdoel dan het nastreven van individueel geluk (hondsen, levend als honden) Keerden zich tegen de bestaande menselijke maatschappij. Wie alles kan missen, is het gelukkigst. Twijfelen aan nut verstandelijke opleiding. Cynici Stichter: Diógenes van Sinópe  Wetenschap Splitsing filosofie en vakwetenschappen. Floreerden in Alexandrië; werden gestimuleerd door Ptolemaeus I; stichtte het Museum; beroemde geleerden die daar hebben gewerkt zijn Aristárchus van Samos (verklaring zon in centrum heelal), Erastósthenes van Cyréne (omtrek van aarde berekenen) en Archimédes van Syracuse (natuurwet en ontwerper militaire werktuigen). Medische wetenschap kwam ook op (Hippócrates)(5e eeuw). Filosofen/wetenschappers van Griekse origine (Zeno alleen was een Cyprioot van Semitische afkomst). De astronomie maakte in hellenistisch Babylon een wetenschappelijke revolutie door. De Joden in de hellenistische tijd Na terugkomst ballingen uit Babylonië: Judea ontwikkelde zich tot een kleine tempelstaat binnen de grote satrapie ‘De overzijde van de River’. Er woonden veel Joden buiten Judea (Babylonië, Egypte, Alexandrië); leefden in ‘verstrooiing’ (diáspora). Veel joden namen Griekse cultuur over; Oude Testament werd in Grieks vertaald (Septuagínta). Ook Jeruzalem kwam onder Griekse invloed (bouw gymnasium en Griekse gewoonten). Van een geforceerde politiek van hellenisering van zijde der Ptolemeïsche of Seleucidische overheid is gen sprake. 168 v. Chr.: opstand tegen de Seleuciden. Antiochus onderdrukte ongeregeldheden snel en legerde een garnizoen va Syrische soldaten bij Jeruzalem; voor hen werd een cultusvoorwerp opgericht in de tempel. Joodse gebruiken werden verboden, varkens moesten in de tempel geofferd worden; leidde tot een opstand (geleid door Judas de Makkabeeër). De Makkebeeën wisten in 152 het ambt van hogepriester van eén der troonpretendenten en de functie van strateeg te krijgen. In 142 kreeg Judeau belastingvrijheid en onafhankelijkheid en in 104 namen de Makkabeeën zelf de koningstitel aan. Schrijvers van boeken I en II Makkabeeën gaven sterk af op de Griekse invloeden in Judeau. Aan de andere kant gedroegen de vorsten zich hellenistisch, kozen Griekse namen en noemden zichzelf ‘Philhelleen’ (= Griekenvriend). Intern zochten ze steun bij de aristocratische stroming van de Sadduceeën/Farizeeën. Zij accepteerden beide (deels) de Hebreeuwse bijbel (de Thora) als gezaghebbend. Dynastie der Hasmoneeën (dus de Makkabeeën) werd verzwakt door interne troonstrijd totdat Rome ingreep. Pompeius nam Jeruzalem in en verkocht Joden op slavenmarkten; versterking Joodse diaspora. Doorwerking van de hellenistische cultuur in het Parthische en Romeinse Rijk Parthische rijk; ontstaan in satrapie Parthië; veroverden in 3e en 2e eeuw Iran en Mesopotamië Parthen beschouwden zichzelf als de erfgenaam van het Perzische rijk. Ze probeerden Grieken tevreden te houden; hadden zelf een sterk ruiterleger. Vazalvorstendommen kwamen terug, terwijl de Griekse steden een hoge mate van autonomie kreeg. Officiële taal was Grieks, later werd de Parthische taal belangrijker. In bouwkunst ontwikkelde zich een nieuwe Grieks-Iraanse stijl. Mesopotamië werd een vergaarnak van vreemde volken en culturen. Einde van het rijk kwam onder het Nieuwperzische rijk der Sassaniden. 19 Griekse cultuur kon in Romeinse heerschappij makkelijker voortbestaan dan in het oosten; Romeinen waren al beïnvloedt. De oriëntaalse tradities leidden een meer kwijnend bestaan. Met Egypte ging het economisch slecht; autochtonen reageerden op de uitbuitende overheersing van de Grieks-Romeinse elite door al heel vroeg op het christendom over te gaan of door vast te houden aan Egyptische godsdiensten (hier kwam een einde aan kort voor 550 na Chr.) Conclusie Alexander de Grote heeft niet de hele wereld van het Nabije Oosten vergriekst. Slechts de bovenlaag nam dit over. Ook is het hellenisme geen mengcultuur van Griekse en oriëntaalse elementen. De Griekse cultuur kwam in een nieuwe fase en daarbij het een en ander aan het oosten ontleend heeft.