donderdag 12 juli 2018

Gemeenten blijven vluchtelingen voorrang geven bij huisvesting



Minister Ollongren maakt tegenstrijdige regels

Minister Kajsa Ollongren van BZK
Titelfoto: Minister Kajsa Ollongren van BZK. Screenshot door redactie OpinieZ van YouTube-video, kanaal Datadrivenpro
Ooit zocht ik de exacte betekenis van het woord gotspe en las dat het werd omschreven als een ”uiting of handeling waarvan het betekenisspectrum ligt tussen gewaagd en brutaal”. Deze omschrijving kwam me voor de geest toen 5 juli j.l. in de media bericht werd over een brief van minister Ollongren aan de Tweede Kamer. Die was getiteld ”Rapportage schrappen vergunninghouders als verplichte urgentiecategorie uit de Huisvestingswet”.
Waar ging dat precies om? Nederland kampt al sinds jaar en dag met woningnood; voor een betaalbare huurwoning zijn lange wachtlijsten. Dit probleem wordt nog vergroot nu door de vluchtelingencrisis grote aantallen migranten binnenstromen, die, wanneer zij een verblijfsvergunning hebben gekregen, door gemeenten gehuisvest moeten worden; de zogenaamde vergunninghouders. Uiteraard wil het Rijk de nieuwe inwoners zo snel mogelijk laten doorstromen vanuit de azc’s naar woningen in de gemeenten, want in het azc kosten zij het Rijk geld.
Urgentiecategorie
In de Huisvestingswet waren vergunninghouders dan ook opgenomen als verplichte urgentiecategorie; gemeenten moesten deze groep met voorrang huisvesten, waardoor de wachttijden voor Nederlandse burgers alsmaar langer werden. Uiteraard leidde dit tot woede. Want je zult maar zes jaar op de wachtlijst staan voor een huurwoning, te horen krijgen dat het nog jaren kan duren en vervolgens zien dat het merendeel van de vluchtelingen binnen twee jaar gehuisvest is. In 2016 (het verkiezingsjaar 2017 was immers op komst) werd de Huisvestingswet dan ook gewijzigd.
Adder
Vergunninghouders hoefden geen voorrang meer te krijgen; gemeenten mochten vanaf 1 juli 2017 zelf beslissen of ze vergunninghouders in hun huisvestingsverordening opnemen als urgentiecategorie. En de minister van Binnenlandse Zaken beloofde medio 2018 verslag uit te brengen over het efect van de wet: hoeveel gemeenten dan nog gebruik zouden maken van een voorrangsregel in de huisvestingsverordening en hoe deze regel werd gehanteerd. Zo leek de zaak dus keurig opgelost, maar uiteraard zat er een fikse adder onder het gras.
Gemeenten houden in de nieuwe wet namelijk wel een wettelijke taak om vergunninghouders binnen een kort tijdsbestek te huisvesten wanneer ze door het COA aan een gemeente toegewezen zijn; de gemeente heeft hier ongeveer 12 weken de tijd voor. Het aantal dat ze moeten huisvesten wordt van rijkswege opgelegd in een taakstelling en is o.a. afhankelijk van het aantal inwoners in de gemeente.En daarbij gaat het niet om kleine aantallen.
Boete
Gemeenten moesten bijvoorbeeld in 2017 23.807 vergunninghouders huisvesten; in de eerste helft van 2018 zijn dit er 12.880 en in de tweede helft 11.000 . (Opgave Aedes). Wanneer een gemeente haar taakstelling niet haalt, gaat de provincie zich er mee bemoeien; dan moet de gemeente verantwoording afeggen. Vindt de provincie dat de gemeente verwijtbaar is bij het niet halen van de taakstelling, dan kan zij een boete opleggen voor iedere vergunninghouder die niet gehuisvest is; dit kan oplopen tot 50.000 euro per gezin per jaar. Voorts kan de provincie dan zelf woonruimte aanwijzen – en de kosten hiervan doorberekenen aan de gemeente.
Gedwongen
Uiteraard zou dit voor gemeenten allemaal geen probleem zijn wanneer zij voldoende woningen te vergeven hadden. Maar zo is het helaas niet. Ondanks deze verandering in de wet worden gemeenten dus in feite nog steeds gedwongen om de vergunninghouders voorrang te geven, anders kost het ze een heleboel geld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat uit de rapportage die minister Ollongren aan de Tweede Kamer presenteerde, bleek dat 99% van de gemeenten er voor gekozen had om de urgentieregeling voor vergunninghouders te handhaven.
Verplichting
“Geconcludeerd kan worden dat de wetswijziging niet heeft geleid tot het op grote schaal schrappen van de vergunninghouders als urgentiecategorie” schreef de minister in de begeleidende brief aan het parlement. En ze wreef het er nog maar eens even in: gemeenten hebben nog steeds de verplichting deze groep van woonruimte te voorzien: “het vervallen van de wettelijke verplichting om vergunninghouders als urgentiecategorie aan te merken, laat onverlet dat gemeenten moeten voldoen aan hun taakstelling voor de huisvesting van vergunninghouders’”.
Over de boeteregeling waarmee de politiek de gemeenten klem heeft gezet, had ze het gemakshalve maar even niet.
Perfide
Ergo: de minister zette met haar conclusie de gemeenten dus op subtiele wijze in de beklaagdenbank, maar verzuimde daarbij te vermelden dat de perfide handelwijze van de politiek de voornaamste reden was voor het door de gemeenten gevoerde beleid. Zo bezondigde zij zich aan een handeling waarvan het betekenisspectrum zich beweegt tussen gewaagd en brutaal. Een gotspe dus.
En stak zij een dikke middelvinger op naar al die Nederlandse burgers die al jaren op een betaalbare huurwoning wachten. En waar dus nog steeds niets voor gedaan wordt.